.weeman.
Wit als watte, en tenegader
groen, is ’t bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is ’t en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gans,
’t onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een’ vogelveder.
Wit en grauw, zo, dóór de lucht,
‘bonte-abeelt’ de duivenvlucht.
groen, is ’t bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is ’t en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gans,
’t onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een’ vogelveder.
Wit en grauw, zo, dóór de lucht,
‘bonte-abeelt’ de duivenvlucht.
In een onbewaakt ogenblik
hunkerend binnengeslopen
dwaal ik in je rond.
Een barbaars landschap
dragend de schaarse tekens
van je aanwezigheid:
de ontbladerende boom
die geen schaduw werpt,
het zwartgeblakerd struikgewas,
de verdroogde kreek
tussen de rotsen
en diep onder de grijze
dorstige aardkorst
het gesmoorde ruisen
van murmerend water
dat geen uitweg vindt.
hunkerend binnengeslopen
dwaal ik in je rond.
Een barbaars landschap
dragend de schaarse tekens
van je aanwezigheid:
de ontbladerende boom
die geen schaduw werpt,
het zwartgeblakerd struikgewas,
de verdroogde kreek
tussen de rotsen
en diep onder de grijze
dorstige aardkorst
het gesmoorde ruisen
van murmerend water
dat geen uitweg vindt.
De hazelaar
Onverwacht mij tegen
in 't nog winters jaar
op de sprong der wegen
bloeit de hazelaar.
Tegen 't licht gehangen
slingertjes van goud;
aarzelend, bevangen
raak ik aan het hout.
Trillend dwaalt van boven
't fijne wolken los;
en met bloei bestoven
in het naakte bos
blijf ik in een beven
teruggehouden staan,
en ik raak nog even
't donker stamhout aan.
Onverwacht mij tegen
in 't nog winters jaar
op de sprong der wegen
bloeit de hazelaar.
Tegen 't licht gehangen
slingertjes van goud;
aarzelend, bevangen
raak ik aan het hout.
Trillend dwaalt van boven
't fijne wolken los;
en met bloei bestoven
in het naakte bos
blijf ik in een beven
teruggehouden staan,
en ik raak nog even
't donker stamhout aan.
De bomen waren stil
De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.
Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld en ’t mensgewas
ze leven nauw.
Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede liên
liepen beneden.
De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.
Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld en ’t mensgewas
ze leven nauw.
Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede liên
liepen beneden.


















